Europese normen

Cementaire dunbedmortel (= cement)

Hechtsterkte
De hechttrekwaarden worden gedefinieerd door de klassen C1 en C2. Daarbij vervult C1 de minimum eis aan hechttrekwaarden met min. 0,5 N/mm². Voor de sterkere klasse C2 zijn minimum hechttrekwaarden van 1 N/mm² vereist. De hechttrekcontroles gebeuren al naargelang de vier manieren van opslag: droge opslag, opslag in water, warme opslag en opslag met afwisselend vorst en dooi. Voor snel uithardende mortels wordt een hechtsterkte ≥ 0,5 N/mm² na 6 uur geëist.

Doorbuiging
De doorbuiging wordt vastgesteld door middel van een uit de mortel aangelegd testobject en ingedeeld in de klassen S1 en S2. S1 staat voor een doorbuiging van min. 2,5 mm tot kleiner dan 5 mm. Met S2 worden sterk vervormbare flex-dunbedmortels gekenmerkt, die een doorbuiging van min. 5 mm bezitten. Daarmee worden de dubbele eisen van de flexmortel-richtlijn vervuld.

Dispersielijmen (= dispersie)

Schuifvastheidswaarden zijn doorslaggevend voor de klassen D1 en D2. D1 legt de minimum eis met een schuifvastheid na droge en warme opslag van min. 1 N/mm² vast. D2 verlangt bovendien een schuifvastheid van min. 0,5 N/mm² na opslag in water en min. 1 N/mm² bij verhoogde temperatuur.

Reactieharslijmen (= reaction)

Zoals voor dispersielijmen worden bij reactieharslijmen eveneens schuifvastheidswaarden getest, die met de klassen R1 en R2 zijn aangeduid. R1 legt de minimum eis met een schuifvastheid van min. 2 N/mm² na droge opslag en opslag in water vast. R2 verlangt bovendien een schuifvastheid van min. 2 N/mm² na temperatuurverandering. Daarnaast kunnen voor deze lijmen nog drie andere verwerkingseigenschappen worden gekozen:

T (= thixotrop) definieert verminderd afglijden.
E (= extended open time) staat voor verlengde open tijd voor het verlijmen bij cementhoudende mortels en dispersielijmen van de klasse D2.
F (= fast setting) wijst bij cementhoudende mortels op snel uitharden.